Geslacht:
man
Naam:
Sijbe de Vries
Echtgenoot van:
Geessien Kip
Geboortedatum:
13-04-1928
Geboorteplaats:
Schiermonnikoog
Overlijdensdatum:
15-07-2014
Overlijdensplaats:
Schiermonnikoog

Sijbe de Vries

Sijbe (Siebe) de Vries (1928-2014)

Ruwe bolster, blanke pit

 

Siebe is de oudste van acht kinderen en wordt op 13 april 1928 geboren op Schiermonnikoog. Zijn ouders zijn Cornelis en Gebina die een slagerij hebben op het eiland.

 

Voorgeschiedenis

 

Siebes vader, Cornelis de Vries, wordt op 17 augustus 1897 te Dantumawoude geboren als zoon van Sijbe de Vries (1862-1905), arbeider van beroep, en Neeltje Jilderda (1867-1951). Zijn grootouders van vaderskant zijn Jan Kornelis de Vries, geboren te Almenum in 1824, en Ynskje Sijbes Meetsma, zij hebben een klein boerenbedrijf en daarnaast is grootvader houtzaagmolenknecht.

 

Na de lagere school is er voor Cornelis van doorleren geen sprake. Hij komt op twaalfjarige leeftijd in dienst bij de Dokkumer slager Dijkstra. Naast werkzaamheden in de slagerij zelf, brengt Cornelis bij klanten in Dokkum en omgeving bestellingen rond en neemt zo mogelijk nieuwe op. Dijkstra zou op Schiermonnikoog een filiaal van zijn zaak aan de Middenstreek hebben gehad, waarin Marten Smids tot aan zijn dood in 1916 woont en een slagerij heeft.

 

Na heel wat jaren bij Dijkstra, ziet Cornelis kansen om zich als zelfstandig slager in hetzelfde pand op Schiermonnikoog te vestigen. Op 14 mei 1924 laat hij zich op het gemeentehuis van het eiland inschrijven.

 

Niet lang daarna maakt hij kennis met Gebina J. Holwerda, afkomstig uit Anjum en op 31 oktober 1905 geboren. Haar ouders zijn Johannes Wiegers Holwerda (15 november 1873) en Antje van der Woud (27 maart 1874). Antje heeft een zoon uit een eerder huwelijk en samen met Johannes krijgt ze nog drie kinderen, twee zonen en een dochter. Na aankomst op het eiland werkt Holwerda als boerenknecht, maar kan een jaar later boerderij Florida, aan de Reddingweg, pachten.

 

Uit idealisme en avontuur naar Indië

 

Cornelis en Gebina trouwen op 7 juli 1927. Spoedig na hun trouwen betrekken ze een pand aan de overkant van de Middenstreek (nu een recreatiewoning met in de muur een pelikaan) met een slachthuis (het huidige Sonja) in de overtuin. Tussen 1928 en 1950 krijgen ze acht kinderen, vijf jongens en drie meisjes. Siebe is de oudste en Theo (officieel Taeke) is de jongste.

 

Cornelis en Gebina zijn gereformeerd, Siebe gaat dan ook naar de lagere school aan de Badweg. In 1941 komt hij van de lagere school en wil graag voor vervolgonderwijs naar de mulo in Dokkum. Door de oorlog komt hier echter niets van terecht.

 

Siebe blijkt heel goed met zijn grootvader Holwerda op te kunnen schieten. Hij gaat bij hem op de boerderij werken. Al werkend krijgt hij te maken met Duitse soldaten die een deel van de boerderij hebben gevorderd en daar verblijven. Zo nu en dan rijdt hij ook vracht voor hen met paard en wagen. De gehele oorlog blijft Siebe bij zijn grootvader op de boerderij. Na de oorlog werkt hij nog even bij Jitse de Vries, op De Oorsprong. Hij is echter niet van plan de rest van zijn leven op een boerenbedrijf door te brengen.

 

In 1946, amper achttien jaar, besluit hij zich vrijwillig voor uitzending naar Nederlands-Indië aan te melden. Hij doet dit uit idealisme, hij heeft te doen met de mensen aldaar.

 

Ordonnans op een Harley-Davidson motor

 

Siebe meldt zich op 5 mei 1946 bij het Aanvullingsdetachement Stoottroepen te Leeuwarden, blijkt uit enkele dagboekverslagen.[1] Hij krijgt er een opleiding van enkele maanden met dagelijks exercitie, theorie, geweeroefeningen, bajonet vechten, handgranaten werpen, stormbaan en schietoefeningen op het vliegveld van Leeuwarden. Als afsluiting volgt een tiendaagse veldoefening in de duinen van Appelscha. Na deze korte trainingstijd zijn de mannen blijkbaar klaar voor uitzending. Op 23 juli 1946 varen zij met het schip de Kota Baroe vanuit Rotterdam naar Batavia, waar ze op 23 augustus 1946 aankomen. In barakken, vijf kilometer van het centrum, moeten de jongens enkele maanden wachten voordat ze opnieuw ingedeeld worden.

 

Siebe boft in deze wachttijd. Hij is namelijk de jongste in zijn sectie waardoor ze extra op hem letten en voor hem zorgen. Na indeling vertrekt zijn compagnie op 2 november 1946 met het schip de Plancius naar Zuid-Sumatra. Daar aangekomen krijgen de jongens de opdracht de in de omgeving van Palembang gevestigde olieraffinaderijen te bewaken en in de nabij gelegen kampongs patrouille te lopen en zonodig van opstandelingen te zuiveren. Met zijn compagnie verblijft Siebe ruim veertien maanden op Sumatra. In maart 1948 keert hij terug naar Java. Dan breekt opnieuw een tijd van wachten aan.

 

De schrijver van het genoemde dagboek loopt eind oktober 1948 Siebe in Bandoeng tegen het lijf. Deze blijkt ingedeeld te zijn bij de aan- en afvoertroepen in Midden- en Oost-Java. Dat zou een ruige hap zijn en Siebe aan te zien, meldt de schrijver van het dagboek. Siebe is ordonnans bij deze troepen, rijdt op een Harley-Davidson en brengt berichten rond van het ene naar het andere legeronderdeel.

 

Zowel tijdens zijn verblijf op Sumatra als ook op Java schrijft Siebe voornamelijk met zijn jongere zus Neeltje en zij reageert dan namens het thuisfront. Om de familie niet onnodig ongerust te maken, is Siebe in zijn brieven zeer terughoudend over wat hij zelf of van nabij meemaakt en roemt vooral de schoonheid en pracht van de natuur en het exotische landschap. Hij vraagt zich verbijsterd af waarom mensen dit allemaal vernielen. Als uitzondering vermeldt hij echter wel in één van zijn brieven dat hij diep geraakt is door het sneuvelen van een kameraad waarmee hij inmiddels een hechte vriendschap heeft gekregen.

 

Siebe overleeft de oorlogsomstandigheden en gaat op 10 augustus 1949 gelijktijdig met de eerder genoemde schrijver aan boord van de Waterman van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd. Een maand later, op 9 september, legt het schip aan te Rotterdam. Siebe is dan drie jaar en twee maanden weggeweest.

 

Terugkomst op het eiland

 

Op de kade staan bussen klaar die de opvarenden naar alle windstreken vervoeren. Hij stapt in de bus naar Noordoost Friesland. Wanneer de bus hem op Oostmahorn afzet, is de veerboot, die nog op getij vaart, net vertrokken. Daar staat Siebe dan met zijn koffer en plunjezak. Hij heeft echter geluk. De zogenoemde aardappelboot De Stormvogel van Jan IJes Teertstra ligt er nog en hij kan naar het eiland meevaren.

 

Siebe wil niet aan de oude steiger van boord gaan en meteen allerlei mensen tegen het lijf lopen. Er is, volgens hem, geen enkele reden om ergens trots op te zijn. Al de interventies in Indië lijken voor niets te zijn geweest, drie verloren jaren. Teertstra zet hem af op de punt van het Rif. Hij heeft dan opnieuw geluk want op dat strand loopt op dat moment zijn dertienjarige zus Neeltje met haar vriendinnetje, een dochter van dominee Van Wieren. Ze zien iemand op het strand staan en ontdekken dat dit Siebe is met zijn bagage. Ze hebben even contact met hem en rennen daarna naar huis om zijn komst aan te kondigen. Vervolgens rijdt Cornelis met zijn slagersfiets, zonder mand, naar het Rif om zijn zoon op te halen. Zo komt Siebe thuis. De drie oorlogsjaren blijken hem echter wel veranderd te hebben. Hij is onverschilliger geworden. De rest van zijn leven zal hij blijven zwijgen over wat hij in Indische Archipel heeft meegemaakt.

 

Hij weet van aanpakken, proberen te vergeten

 

Eenmaal thuis, zit Siebe niet bij de pakken neer. Daar is hij de man niet naar. Hij grijpt alles aan wat voorhanden komt. Van januari 1950 tot april 1954 werkt hij als hulplichtwachter op de vuurtoren. Op 10 maart 1952 trouwt hij met Geessien Kip die op 17 juni 1925 te Oude Pekela geboren is en met haar zus Anna bij Hotel van der Werff werkt.

 

Uit een eerder huwelijk heeft Geessien een dochter, Gieny, die Siebe als zijn eigen dochter aanneemt. Siebe en Geessien krijgen zelf op 4 december 1951 een dochter die ze de naam van zijn grootmoeder Gebina geven. Na hun huwelijk wonen ze in het Kapeglob, in het aldaar gelegen huis dat echter omstreeks 1954 door een uitslaande brand onbewoonbaar wordt. Enige tijd verblijven ze vervolgens aan de Nieuwestreek, in het huis naast de Got Tjark, aan de noordzijde.

 

Siebe werkt bij aannemer Tjisse van der Meer en vervolgens bij Taekele Soepboer die, na de dood van Sake van der Werff in 1955, het tegenover hotel Van der Werff gelegen hotel koopt. Hij verricht allerlei klussen voor hem, rijdt dagelijks met de bus van Soepboer naar de oude steiger om gasten op te halen of weg te brengen en verzorgt tijdens de zomermaanden ritten met een open trekker naar het oostelijk deel van het eiland.

 

Vanaf begin 1956 tot in het najaar van 1958 vaart Siebe vervolgens als matroos op schepen van Groninger reders. Hij maakt tussen eind oktober 1959 en begin mei 1961 twee reizen mee op de walvisvaart en werkt daarvoor of daarna een kortere of langere tijd op de beurtvaart van Jan Groendijk. Ook werkte hij bij de gemeentelijke buitendienst en als bouwvakker in de bouw van het bungalowpark De Monnik. Hij koopt het woonhuis aan de Middenstreek ten westen van ingang naar het Plantsoen. Eerst het voorste gedeelte en later ook het (bouwvallige) achterhuis. Hij renoveert dit geheel, gaat er wonen en verkoopt het voorste gedeelte. Hij neemt de oliehandel van Willem Dijkstra (Lytje Willem) over als deze er mee ophoudt. Bovendien is hij van 1 januari 1973 tot 1 januari 1989 vuurtorenwachter. In dat jaar wordt hij 61 jaar, maar gaat met ingang van 1 januari 1989 vervroegd met pensioen vanwege toenemende gezondheidsproblemen.

 

Tot aan zijn dood toe zwijgend over zijn tropenjaren

 

Na zijn pensionering blijft hij klussen in en om zijn huis en als enthousiast duivenliefhebber is hij lid van de toen nog bestaande eilander duivenvereniging. Hij geniet van zijn kinderen en kleinkinderen. Wanneer zijn vrouw in 2002 plotseling overlijdt, betekent dit voor hem een enorme klap, waarvan hij moeilijk herstelt. In 2011 krijgt Siebe een hersenbloeding waarvoor hij een tijdje in het ziekenhuis te Dokkum wordt opgenomen. Hij revalideert in het nabij gelegen De Waadwente, komt weer thuis en wordt bijna dagelijks door zijn dochter Bina verzorgt die hiervoor opnieuw op het eiland komt wonen. Het lopen gaat almaar moeilijker een scootmobiel biedt uitkomst. In dit voorjaar krijgt hij opnieuw een, nu lichte, beroerte. Hij kan thuis verpleegd worden, maar zijn gezondheid gaat geleidelijk achteruit. Na weken van bedlegerigheid overlijdt hij op 15 juli. Tot het laatst toe zwijgend over de drie jaren in de tropen. Op 19 juli, een warme en zonnige middag, heeft de herdenkingsdienst in de Got Tjark plaats. Op uitdrukkelijk verzoek van Siebe heeft geen gebruikelijke rondgang om het kerkhof plaats, maar volgt meteen de gang naar het graf, aan de zuidzijde van het kerkgebouw. Siebe is 86 jaar geworden.

 

Met dank aan zijn dochter Bina, broers Klaas en Theo, zusters Annie en Neeltje, Grietsjen de Vries-de Jager en Jan Holwerda voor (aanvullende) informatie en/of foto’s.

 

 

 

[1] De volgende informatie plus zijn verblijf op Sumatra ontleend aan: G. Deters, Dagboek van een oorlogsvlieger, Uitgeverij Frits Hardeman, Ede, 1994. De schrijver komt gelijktijdig met Siebe – in het boek wordt hij aangeduid als Siep de Vrees van Schiermonnikoog – op en deelt met hem het verblijf op Sumatra.

 

 

 

 

 

Gemeentelijke Begraafplaats Schiermonnikoog

De website is voor u gemaakt met behulp van vrijwilligers en mede tot stand gekomen dankzij een subsidie van de provincie Fryslân